Eikels zoeken, takjes op het hoofd en kusjes op de duim

Kinderen houden niet van wandelen in het bos? Neem ze dan maar mee naar de kinderwandelroute Ipsewips (nét geen 2 kilometer) in de prachtige bossen van Odoorn. Thuis in het Noorden deed de kinderen van onze verslaggever er een groot plezier mee.

TEKST BAS VAN SLUIS

Het is een cliché, maar dat maakt het niet minder waar. Als kinderen het naar de zin hebben, dan hebben de ouders dat meestal ook. 
En deze maandagmiddag heb ik het goed naar de zin. Samen met mijn kinderen wandel ik een mini-speurtocht door de bossen van Odoorn. Op zoek naar ingrediënten – takjes, mos en eikeltjes (amper te vinden!) - om de slaapdrank van de lieve heks Ipsewips te neutraliseren.
De voorpret begint al een beetje thuis als ik voor de twee oudsten – mijn kinderen zijn 5, 3 en 1 jaar oud – twee ‘toverdrankzakjes’ in elkaar moet knutselen. Zakjes waar ze straks allerlei ‘bosmateriaal’ in mogen stoppen.
Nou ben ik niet echt een knutselaar, dus het wekt de interesse van de twee al gauw. ,,Papa, wat ben je aan het doen?” 
,,Knutselen jongens.”
,,Waarom?”
,,We gaan straks om speurtocht in het bos.” 
,,Het lijken wel popcornzakjes”, zegt mijn oudste. ,,Ja, maar dan zonder popcorn. We gaan er allemaal spulletjes instoppen tijdens een speurtocht.”
Verrukt kijkt de oudste op. Een speurtocht. En dan ook nog in het bos. Een van hun favoriete plekken. Want niks leukers dan tussen de bladeren hossen, klimmen op omgevallen bomen en door de knietjes gaan om paddenstoelen te bekijken. 

IPSTEBIPS
Wanneer we een half uurtje later arriveren op de parkeerplaats van Poolshoogte, de uitkijktoren in de bossen van Odoorn, zijn de kinderen bijna niet te houden. Ze willen dolgraag op kabouterspeurtocht. Op mijn mobiel heb ik een brochure, te vinden op de website van de provincie Drenthe, van de kinderwandeltocht. Kort leg ik het verhaaltje uit aan mijn kinderen. Over de heks Ipsewips -–consequent door de oudste uitgesproken als Ip-ste-bips – en de kaboutertjes. ,,Bestaan heksen echt”, vraagt mijn oudste die het allemaal maar bijster interessant vindt. ,,Kijk. Een paaltje met Ipsewips er op. Ga maar kijken”, zeg ik snel.
En dat is hoe de wandeltocht zich ontvouwt. Met in de ene hand het mobieltje om de opdrachtjes – ‘zet twee takken op je hoofd en roep ‘hoei’ ‘hoei’, het waait’ – voor te lezen. En mijn kinderen die van paaltje naar paaltje rennen. Iets wat op zichzelf al genoeg plezier oplevert bij het kroost. 

OPENINGSRITUEEL 
,,Stop jongens. Papa is groot hè. Dus hij kan niet zo maar het bos inlopen, want dan valt hij ook in slaap (zie kader). Jullie moeten mij een kusje geven op de punt van mijn duim. Dan kan ik met jullie mee.” Met grote ogen knikken de kinderen. Dat is natuurlijk ook zo. Nadat we het ‘openingsritueel’ hebben verricht kunnen we echt op pad. Twee rennende kinderen, en een kleintje op de rug van vader die kirt van plezier. Want hoe klein ze ook zijn, buiten wandelen is altijd goed voor het humeur. 
,,Papa, het bos stinkt”, zegt mijn middelste plots die een metertje achter ons sjokt.
,,Nee joh. Dat is niet zo. Het ruikt fris”, zegt ik nog vol goede moed.
,,Het stinkt.”
Even denk ik: laat maar waaien. Maar als ik dan toch iets beter mijn best doe, ruik ik het ook. Maar het is niet het bos. Het is mijn jongste die vrolijk achterop in de rugdrager bungelt en haar luier vol heeft gepoept. Het maakt de wandeling er niet makkelijker op. 
Even daarna vervloek ik mezelf nogmaals dat ik niet eerst even restaurant Poolshoogte ben binnengewandeld om nog even met de kinderen langs de wc te gaan. Want we zijn halverwege de tocht – we deden er drie kwartier over – als de middelste naar de wc wil. ,,Poepen en plassen”, zegt hij afgemeten. Gelukkig zegt hij dat negen van de tien keer. Deze keer hoeft hij alleen maar te plassen. Hij wil wel even weten of er in de boomstam, die ik voor zijn plasbeurt heb uitgezocht, geen kabouters wonen. Als ik dat bevestig, klettert hij vrolijk tegen de stam aan.

STUITEREN 
Maar goed: terug naar de wandeling. De kinderen vermaken zich. Dat er amper eikeltjes zijn te vinden voor de toverdrank deert ze niet. Ze stuiteren van plezier tussen de bomen door. ,,Wauw, moet je voelen hoe zacht”, zegt mijn dochter als ze mos aan de voeten van een boom aait. ,,Lekker hè.” 
Vol verwondering kijken de kinderen naar paddenstoelen, zoeken driftig naar dennenappels, struinen tussen de bomen door, plukken priknaalden van de Sitkaspar en verlaten van tijd tot tijd het wandelpad. ,,Duimpje omhoog”, zegt de middelste geregeld om zijn goedkeuring te geven. 
Als we de twintig opdrachten enigszins goed hebben vervuld, lees ik aan het einde van de spoortocht hardop voor van de mobiel dat de kaboutertjes weer wakker zijn geworden. ,,Op het grote zandpad naar het restaurant zwaaien ze ons uit.”
,,Papa, kijk daar.” In de verte zie ik inderdaad iets roods aan de kant van het pad. Een puntmuts van een zwaaiende kabouter? Als we dichterbij komen, rest deceptie. ,,Geen kabouter”, zegt mijn oudste dochter hoorbaar teleurgesteld. ,,Dat is niet mooi, toch?”
,,Nee, lieverd. Dit is niet mooi”, zeg ik tegen haar als ik het lege colablikje oppak. ,,De kaboutertjes vinden het ook niet mooi, want die zijn nergens te vinden”, zeg ik maar tegen haar. Ze knikt. ,,Kijk, het restaurant. Gaan we wat drinken? Want we hebben goed ons best gedaan toch?”
Ik knik en bevestig dat we wat gaan drinken. En dat ze een appelgebakje mogen van theehuis Poolshoogte. ,,Duimpje omhoog”, zegt mijn zoon nog maar een keer. En dat klopt.